liefdesbrieven asked: Wat ben jij nog meer naast Bart? :)
Haha. Ja, zeg. Een boel. Dat komt nog wel boven tafel (want ik zal me hier de komende tijd wat vaker laten zien dan dat ik deed).
Haha. Ja, zeg. Een boel. Dat komt nog wel boven tafel (want ik zal me hier de komende tijd wat vaker laten zien dan dat ik deed).
Mezelf. Altijd mezelf.
(ik ben niet zo’n tumblrkoning en wist niet dat mensen dingen konden vragen maar ik vind het heel erg leuk)
Dat vind ik dan weer heel leuk, wonderlijk (doe ik dit zo goed? ik kreeg nog nooit een ‘vraag’ op tumblr).
Tweeëntwintig januari tweeduizenddertien.
Je kwam niet uit het niets. Sloterdijk, even voor half twee. Een tas schuurde langs stoelen, een ander werd op een stoel geplempt. ‘Moet dat nou’, vroeg ik mezelf op dat moment af. Ik zat net lekker, een beetje te turen, te denken, te genieten met mijn neus naar de zon.
Daarna dacht in iets als ‘Dit wordt leuk’. En dat werd het. Ik nam je waar van top tot teen, terwijl je bezig was met het schikken van je tassen, met het neerzetten van je koffie, met het bekijken van je telefoon.
Blonde halve krullen, zag ik. Knotvormig op het hoofd. Daaronder een lief gezichtje, zo van ‘Ik doe geen vlieg kwaad en hou van Vlieland’. Om je nek een roze ketting. Fout. Roze kettingen zijn stom (maar er zal vast een gedachte, een herinnering aan kleven). Een wollen trui om je schouders, het had iets Noors, iets van winter, donkerblauw. Verder een doorsnee broek. Maar: de uiteinden van de pijpen zaten verstopt in een paar skisokken. Geweldig. Iedereen wil het, jij doet het. De schoenen waren van Nike.
Bovenstaande, het waarnemen, gebeurt in een seconde of drie. Toen ik klaar was zat je. Je nam een slok koffie.
En toen gebeurde het.
Ja, zeg. Je keek even rond en zette de koffie neer op zo’n vervelend uitklaptafeltje. Je handen gingen gekruist naar beneden. Ze pakten de de trui (wol, Noors, donkerblauw, afijn: u kent ‘m al) en floeps, omhoog. Uit.
Een magisch moment voor een jongeman om dat te aanschouwen. Er is weinig mooiers dan een vrouw, een dame, een meisje, die iets uittrekt. Een feestje om te zien, een lust voor het oog.
Ik begon met schrijven, jij aan een broodje kaas. Het broodje is nu op, mijn verhaaltje is nu klaar. Uit. Het is wel goed zo. Station Almere. Poe. We blijven nog even zitten.
Het toeval wilde dat ik op een avond door Amsterdam fietste. Het was in de buurt van het Sarphatipark, bij de Nieuwe Amstelbrug. De fietspaden zijn er hobbelig en lijken het niet te kunnen winnen van de enorme bomen die er staan. Het had die dag geregend, her en der lagen grote plassen waar je niet omheen kon zonder een uitstapje naar het trottoir te maken.
Vanwege de vele stoplichten hield ik me al een tijdje koest achter een wat oudere man. Hij had een hoed op zijn hoofd, droeg een lange regenjas en zijn schoenen waren bruin. Ik kon zijn gezicht niet zien maar vermoedde dat er een hoekig gezicht schuil ging onder de donkerbruine hoed. Een keurige man op een keurige herenfiets, onderweg naar de damvereniging, of naar oude maten van vroeger. Of misschien wel weer op weg naar thuis, naar zijn vrouw.
Welnu. Wij, de keurige man en ik, stevenden op een onontkoombare confrontatie af met een plas van jewelste. De schrik zat er zichtbaar in bij de keurige schoenen van de keurige man op de keurige fiets.
Maar daar had meneer iets op gevonden. Als een kind dat net van zijn zijwieltjes is verlost gooide hij zijn benen in de lucht toen het voorwiel van zijn keurige fiets het water raakte. Het ging van spetter, spieter, spater, lekker in het water, afijn, u kent de rest.
Ik kon het niet zien maar voelde de twinkeling in de ogen onder de hoed van de keurige man. Het ging van spetter, spieter, spater, lekker door het water en ik was heel erg blij dat oude, keurige, mannen met keurige hoeden op keurige fietsen nog best even kind kunnen zijn.
Dit gaat over Anne Vegter en ‘Mijn kostbare kut viel helemaal verkeerd op het centrum’. Dat is een gedicht die we op school (WINDESHEIM JOURNALISTIEK!!!!) behandelden en ik moest me er in verdiepen. In de kostbare kut van Anne Vegter.
Anne Vegter is geboren in Delfzijl. Op het randje van 1958 (de bevalling vond plaats op de 31ste van de 12de) kwam ze uit de kostbare kut van haar Groningse moeder. Wat voor werk haar moeder deed weet ik niet, wel dat haar vader dominee was. Protestants, want dat hoort zo in Oost-Groningen. Anne Vegter zat op een gymnasium in Drachten, werkte een jaar op een psychiatrische inrichting en studeerde daarna nog kunstgeschiedenis, pedagogiek en ze doorliep de ‘Academie voor Expressie door woord en gebaar’ ook nog. Ze weet denk ik best veel. En afgaande op haar veelal erotisch getinte gedichten zal ze het studentenleven ook vrij intens beleefd hebben.
Toen ze klaar was met studeren en het studentenleven ging ze werk maken. Anne Vegter schreef kinderboeken en sloeg aan het dichten en werd lerares op een school in Rotterdam en kreeg een rubriek in de Volkskrant en ontving al enkele prijzen voor haar gemaakte werk.
Omdat ik de gedichten van Anne Vegter lekker gek en leuk vond en Anne Vegter mij een interessant persoon leek, heb ik nog wat meer van haar opgezocht. Op de website van de Koninklijke Bibliotheek las ik het volgende: “In een gedicht over de dood staat dat zij al jaren sterft van nieuwsgierigheid. Bij bloemkool denkt zij aan hersens en wil de groenteboer er het mes in zetten. Er wordt in haar gedichten soms met wellust aan ongemakken gedacht en je schijnt ‘de blauwdruk van mijn liefdesproject’ ook telefonisch te kunnen bestellen.”
Ik moest lachen om de hersenen van bloemkool. Ik moet eigenlijk om alle gedichten van Anne Vegter lachen. Omdat ik zo moest lachen besloot ik nog iets meer van Anne Vegter op te zoeken. Ze heeft Facebook en in het album ‘webcamfotos’ staat deze webcamfoto. Ik moet zeggen dat ik het een vrij gekke foto vind. Maar dat past ook wel weer bij Anne Vegter. Het is een gek mens met grappige gedichten en een kostbare kut.
Een Turk, een Surinamer en een Pool
Zaten al lang niet meer op school
Nu schilderen, schuren en stukadoren ze
En bouwen, behangen en boren ze
De ene keer in Meppel heel alleen
Maar vanavond met zijn drieën
Op het station van Hoogeveen
Ik zag net een trein. Hij ging door de treinenwasstraat en hij was blij er te zijn. De borstels boenden en poetsten, met water en veel sop. Zo tussen de wielen en extra goed op zijn gele treinenkop. Tot slot nog even drogen met een lap en wat wind. Voor de treinenspiegel opende hij zijn ogen. De trein was zo blij als een kind.
OORGASME!